Europa´s groot ste verzendhuis voor Motorboot & Zeilsport

Info en tips: Sanitair

 

Nieuw! Info en tips

Veiligheid Navigatie Elektriciteit Uitrusting
Motor & Trailer Verf & onderhoud Sanitair Oliegoed en functionele kleding

Sanitair

1. Boordtoilet
    1.1 Elektrische / manuele wc's
    1.2 De installatie van boord-wc's
2. Fecaliëntanks
3. Sanitaire installatie
    3.1 Diameter van slangen
    3.2 Schroefdraad
    3.3 Kranen
    3.4 Huiddoorlaten
4. Drinkwater aan boord
    4.1 Ontkiemen
    4.2 Warmwaterboiler
5. Lenspompen

1. Boordtoilet

Bij een boot die recht van de werf komt, kan er van uit worden gegaan dat de boordtoiletten volgens alle regels van de veiligheid en de scheepsbouwkunst geïnstalleerd zijn. Op grotere jachten worden vaak elektrische toiletten ingebouwd, bij twee wc's is meestal één ervan elektrisch, en het andere manueel.

Indien er een ouder schip wordt aangekocht of de boot een ouder toilet heeft, dan is de toiletuitrusting vaak aan renovatie toe, ziet er weinig aantrekkelijk uit, en is ze vaak ook niet optimaal ingebouwd. Vaak zijn de kranen en de aansluitingen na jaren in een toestand, die geen veiligheid en werking meer garanderen. Met een nieuw toilet krijgt u niet alleen meer comfort, maar ook veiligheid, en neemt het behoud van waarde van de boot toe. Bovendien schrijven veel Europese landen het gebruik van fecaliëntanks voor, waarvan de inbouw zich laat combineren met een nieuw toilet.

1.1 Elektrische / manuele wc's

Bij de ombouw of het opnieuw installeren van een boordtoilet heeft u de keuze tussen een manueel en een elektrisch toilet. Inmiddels zijn elektrische toiletten net zo compact als de gebruikelijke marine-wc's, hebben ze relatief weinig stroom nodig, en zijn ze zeer betrouwbaar. De voor- en de nadelen op een rijtje:

Manuele pomp-wc's zijn uitgekookte constructies zoals die van Jabsco; bij juiste bediening betrouwbaar en robuust. De herstelling en de aankoop van vervangonderdelen zijn wereldwijd geen probleem, het onderhoud beperkt zich tot enkele dichtingsdelen, die regelmatig vervangen zouden moeten worden. Ze zijn zeer compact, licht en kunnen haast overal ingebouwd worden. Qua bediening zijn ze echter speciaal voor nieuwelingen aan boord iets complexer als het doorspoelen met een druk op de knop bij elektrische wc's. Bij lange leidingen moet er bovendien zeer veel en lang gepompt worden met een aangepaste hoeveelheid water. Indien ze op een fecaliëntank aangesloten zijn, dan kan deze daardoor sneller dan verwacht vol raken.

Elektrische toiletten zijn que bediening beduidend comfortabeler. Aanzuigen, spoelen en afzuigen gebeuren via een elektrische impeller-pomp met versnijder. Als goedkope onderbouw-constructie zijn ze relatief luidruchtig door de geringe geluidsisolatie van de behuizing, waarin de pomp loopt. Ze zijn zeer compact en vragen nauwelijks meer plaats dan een manuele pomp. Iets zachter zijn de modellen met pompen, die in de toiletpot geïntegreerd zijn, en nog van geluidsdemping kunnen worden voorzien.

Beduidend meer comfort en functionaliteit beiden toiletten, die met zachtere pompen en versnijders werken, maar door hun hoogwaardigere bouw ook iets groter en duurder zijn. Ze bieden haast hetzelfde comfort als thuis, zijn zeer betrouwbaar, en eenvoudig in de bediening. Waterhoeveelheid en spoelduur worden automatisch gestuurd, inclusief spaartoets. Het waterverbruik is slechts zo hoog als nodig, bij voeding vanaf de verswatertank en voor de capaciteit van de fecaliëntank is dat een groot voordeel.

Het omschakelen van een manueel toilet naar een elektrisch exemplaar is relatief eenvoudig. Voor breed verspreide merkmodellen zoals die van Jabsco worden volledige ombouwsets aangeboden. Ofwel wordt alleen de handpomp vervangen door een elektrische impeller/versnijder-pomp, ofwel wordt een volledig nieuw onderbouwmodel geïnstalleerd. Inde planning moet echter wel rekening gehouden worden met de elektrische aansluiting. Kabeldoorsnede, zekering en schakelaar moeten beantwoorden aan de vermogenopname van de pomp.

1.2 De installatie van boord-wc's

Wie een nieuwe wc inbouwt of er een aanpast, kan beter overwegen of hij niet beter een compleet systeem met fecaliëntank installeert. In steeds meer landen is dat wettelijk verplicht; bovendien is het gebruik van het boordtoilet in de haven dan probleemloos mogelijk. Fecaliëntanks kunnen probleemloos exact passend individueel voor de beschikbare inbouwruimte worden geproduceerd. Verder is er alleen nog extra plaats nodig voor de slangen, de afsluitkranen en een doorvoer voor het leegzuigen.

Bij de installatie van een boord-wc moet rekening worden gehouden met enkele dingen.

  1. Staat de wc onder of boven de waterlijn? Er moet rekening worden gehouden met de mogelijke helling.
  2. Wordt er een manueel of een elektrisch toilet ingebouwd?
  3. Laat de bouw van het schip voldoende hoge leidingen met zwanenhalzen toe?
  4. Is er voldoende plaats aan de buitenhuid voor het bedienen van de afsluitkranen?
  5. Wordt er een fecaliëntank rechtstreeks aangesloten? Of wordt deze later bijgeplaatst?

Bij elke installatie van een boordtoilet moet principieel op het volgende worden gelet:

  • Het toilet mag nooit, ook niet onder helling, via de toe- of afvoerslangen vollopen, ook niet indien bijvoorbeeld terugslagkleppen niet correct werken.
  • Teruglopen moet met behulp van een zwanenhals in toe- en afvoer voorkomen worden.
  • Op het hoogste punt van de leidingen moet ventilatie voorzien worden, om een heveleffect te voorkomen, waardoor het toilet kan vol lopen.
  • De ventilatie van de fecaliëntank moet op de hoogste plaats liggen.
  • Elke huiddoorvoer onder water moet direct met een afsluitkraan (kogelventiel) kunnen worden afgesloten.
  • Toiletslangen moeten diffusiedicht zijn.
  • Alle slangen onder water moeten met dubbele slangklemmen bevestigd worden.

Enkele montage-aanwijzingen in detail, naargelang de plaats van inbouw van het toilet:

Inbouw van een wc boven de waterlijn

Bij de montage boven de waterlijn moeten de spoelwateraanvoer en de afloopslang zo worden gelegd, dat terug lopen niet mogelijk is. Bij een afloopslang wordt dit bereikt door een hoog geplaatste zwanenhals, die minstens 30 cm boven het uitlaat-kniestuk aan het toilet ligt. Een ventilatieventiel op het hoogste punt van de zwanenhals voorkomt een heveleffect. Indien een fecaliëntank boven het uitlaatkniestuk ligt, dan moet er absoluut een ventilatieventiel gemonteerd zijn.

De spoelwatertoevoer van buiten af wordt direct via de kortste weg van het afsluitventiel naar de pomp gelegd; via een terugslagventiel blijft de pomp steeds aangezogen.

Inbouw van een wc onder de waterlijn

Zowel de spoelwateraanvoer als de afloopslang moeten met een zwanenhals zo hoog gelegd worden, dat een heveleffect, waardoor het toilet terug kan vollopen, uitgesloten is. Het hoogste punt van de zwanenhals moet minstens 20 cm boven de maximaal mogelijke waterlijnhoogte liggen. Het ventilatieventiel op de hoogste plaats is een must. Let op: alle slangaansluitingen op ventielen, WC en pompen onder water moeten met twee slangklemmen uit roestvrij staal geborgd zijn. Daarbij de wormdraad verschoven monteren. Indien niet vast staat, dat de rand van het bekken onder alle omstandigheden boven de waterlijn blijft, dan moeten in elke slang zwanenhalsventielen gemonteerd worden.

Inbouw van een elektrisch toilet onder de waterlijn

Bij een elektrische wc kan het gevaar voor een hevel-effect worden voorkomen via een elektromagnetisch ventiel op de zwanenhals van de aanvoer. Normaal gezien zal de spoelpomp door een normale ventilatie niet aanzuigen; het elektromagnetisch ventiel sluit echter direct bij het bedienen van de pomp, en opent terug bij het loslaten.

2. Fecaliëntanks

De uitrusting van schepen, ook plezierboten, op de Noord- en de Oostzee met fecaliëntanks wordt geregeld door de richtlijnen van de Helsinki-commissie. Ook in andere Europese landen, en in bijvoorbeeld Turkije, zijn inmiddels 'afwalwatersystemen' op jachten voorgeschreven. Boten, die niet vanaf de werf daarmee uitgerust zijn, moeten voor die wateren aangepast worden. Chemische toiletten zijn minstens op zeegaande jachten geen alternatief, ook hun afvoer leidt tot belasting van het milieu, zodat ze ook in afvoerstations aan de wal geledigd moeten worden. Een werkbaar systeem om bij in te bouwen vraagt natuurlijk voldoende plaatsruimte. Tanks kunnen op maat gefabriceerd worden, zodat ze bijvoorbeeld in de wc-ruimte achter bekledingen ingebouwd kunnen worden. Slangverbindingen, ventielen en inspectie-openingen moeten bereikbaar zijn.

Voor de installatie van een fecaliëninstallatie met tank, ventiel- en slangsystemen moet rekening worden gehouden met de technische normen en de aanbevelingen van de Helsinki-commissie. In ISO 8099 van 2001 (Duitse versie EN ISO 8099, 2000) bijvoorbeeld zijn de technische eisen vastgelegd. Onder andere:

  • De fecaliëntank moet vast ingebouwd worden, en moet veilig bevestigd zijn.
  • Het toilet moet via de kortste weg met valleidingen verbonden zijn.
  • Een ventilatieleiding of een beluchtingsventiel aan de bovenzijde van de tank moeten geïnstalleerd zijn. De doorsnede van de beluchtingsslang moet minstens 16 mm bedragen.
  • De vulpeil moet controleerbaar zijn, optisch, of via een elektrische sensor met display.

De slangen moeten gas- en daarmee ook geurdicht zijn, in dubbelwandige , spiraalversterkte uitvoering. Let absoluut op een voldoende diameter en buigstraal, omdat de slangen niet geknikt mogen worden. Net bij het achteraf inbouwen op een beperkte plaatsruimte is er de neiging genoegen te nemen met een kleinere diameter, om eventuele uitsnijdingen in bekledingen en onderdelen klein te kunnen houden. Zware slangbeugels met zeskant stelschroeven zijn bij de installatie de eerste keuze.

3. Sanitaire installatie

3.1 Diameter van slangen

Bij slangen wordt vaak de binnendiameter in duim aangegeven. Een schuifmaat geeft bij meting de diameter aan in millimeter. Een omrekentabel van duim naar millimeter is dan handig. De maatopgave van aansluitfittingen van pompen, zeeventielen en aansluitopeningen voor wc's en tanks hebben ook steeds betrekking op de binnendiameter van de slang. De buitendiameter van de slang is belangrijk voor juiste buisklemmen. Zware slangen voor afvalwatersystemen bijvoorbeeld hebben vaak een wanddikte van ca. 6 tot 10 mm.

Omrekeningstabel oor duim en millimeter

Binnen-Ø mm Binnen- Ø duim)
12,7 1/2"
15,9 5/8"
19,1 3/4"
25,4 1"
31,8 1 1/4"
38,1 1 1/2"
44,5 1 3/4"
50,8 2"

3.2 Schroefdraad

Ook als er bij de sanitaire installatie op jachten steeds vaker plugsystemen met kunststofleidingen en -fittingen gebruikt worden, wordt bij huiddoorvoeren en kranen steeds nog schroefdraad gebruikt. De grootte van de binnendiameter van de buis wordt in duim aangegeven. Bij het meten en het bestellen is een tabel met duimse maten en buitendiameters in millimeter handig.

Schroefdraad duim Buiten-Ø mm
1/8 9,73
1/4 13,16
3/8 16,66
1/2 20,95
5/8 22,91
3/4 26,44
7/8 30,20
1 33,25
1 1/8 37,90
1 1/4 41,91
1 3/8 44,32
1 1/2 47,80
1 3/4 53,74
2 59,61

3.3 Kranen

Een tekort aan kwaliteit en een twijfelachtige constructie van kranen kan de veiligheid ernstig in het gedrang brengen, en fatale gevolgen hebben. Bij kogelkranen is de pasnauwkeurigheid van kogel en huis belangrijk: indien er papier-, vuil- of fecaliënresten bij het draaien van de kogel in het huis getrokken, dan worden ze zwaarlopend en sluiten ze niet meer volledig. De binnenste doorgang in de kogel moet glad zijn, de bevestiging van de hefboom mag niet uitsteken. In beide gevallen kan er water binnendringen, dat in de winter bevriest en de behuizing doet barsten. Compass voert alleen hoogwaardige kranen, die voor de inbouw op schepen geconstrueerd en toegelaten zijn. De kogels bijvoorbeeld zijn hardverchroomd. De beste materialen voor kranen zijn roestvrij staal WST 1.4401 V4A, met glasvezel versterkte nylon-kunststoffen en zeewatervaste messing-kwaliteiten. De voor het sanitair in een woning gebruikelijke bouwmarkt-kwaliteit mag in geen geval worden gebruikt. Minderwaardig messing neigt snel tot uitzinken, wordt sprok, en breekt.

3.4 Huiddoorvoeren

De kwaliteit en de deskundige inbouw van huiddoorvoeren onder water dulden geen compromissen; er is nauwelijks een onderdeel bij een boot dat zo relevant is voor de veiligheid. Via een ondichte of gebroken huiddoorvoer kan meer water binnendringen dan de lenspompen kunnen afvoeren. Als materiaal komen alleen roestvrij staal V4A, met glasvezel versterkte nylon-kunststoffen en hoogwaardige messingkwaliteiten in aanmerking. Direct achter de huiddoorvoer moet steeds een afsluitkraan gemonteerd worden; slangen moeten in het onderwatergedeelte steeds met twee sterke, onderling verschoven aangebrachte slangklemmen aangesloten worden. Voor de montage van huiddoorvoeren zijn er verschillende mogelijkheden. Ze kunnen bijvoorbeeld worden ingezet met epoxyhars, wat de grootst mogelijke vastheid en dichtheid biedt. Het hechten aan het rompmateriaal moet echter vaststaan. Daarom moeten verflagen en antifouling onder de flens absoluut afgeschuurd moeten worden. De epoxy-verlijming heeft het nadeel, dat oude huiddoorvoeren moeilijk los te maken zijn als u ze door nieuwe wilt vervangen. Alternatief worden huiddoorvoeren vaak met blijvend elastisch plamuur ingezet. Deze kan echter loskomen en gaan lekken zodra men aan de binnenzijde een kraan wil vervangen, waarvan het draad op de huiddoorvoer vastzit, en die alleen met geweld los te maken is. Daarom worden werkzaamheden aan huiddoorvoeren en sluitkranen beter niet uitgevoerd zo lang de boot nog in het water ligt.

4. Drinkwater aan boord

4.1 Ontkiemen

Voor de gezondheid schadelijke kiemen in het drinkwater aan boord kunnen twee oorzaken hebben. Enerzijds kunnen ze door een langer niet gebruiken van het gesloten watercircuit aan boord ontstaan. Indien water gedurende langere tijd, bijzonder bij hoge buitentemperaturen, in tanks en leidingen staat, kunnen zich kiemen vormen. Zowel kunststoffen als roestvrij stalen tanks verontreinigen mettertijd tot en met de vorming van algen. Daarom moeten watertanks en leidingen regelmatig met speciale reinigers en waterontkiemers gespoeld worden. Voor het desinfecteren zijn middelen beschikbaar, die vrij van chloor en chemicaliën zijn. Voor het blijvend vers houden van drinkwater zijn middelen op zilverbasis met een zeer gering chlooraandeel zeer efficiënt, ze ontkiemen ook bacterieel belast water over lange periodes.

De tweede oorzaak van kiemen kan besmet water zijn, dat in een haven gebunkerd wordt. Normaal gezien heeft het drinkwater in Europa een uitstekende kwaliteit. Kiemen kunnen echter bijvoorbeeld daar ontstaan, waar het drinkwater in contact komt met vervuild havenwater, door ondichte leidingen, of slangen op de steiger die in het water vielen. Voor het bunkeren kunt u best het water enige tijd laten lopen, zodat u de tank niet vult met water dat al een tijd in de slang stond. In de zomer liggen de slangen vaak dagenlang in de zon - voor bacteriën het beste biotoop. Soms vindt men in een haven ook slangen, die niet geschikt zijn voor drinkwater. Ook al is dat soms bewerkelijker: een eigen boordslang is veiliger. Bij het bunkeren vanuit dubieuze bronnen bent u dus best voorzichtig. In enkele landen rond de Middellandse Zee wordt het water met een tankwagen aangeleverd, en dat is niet noodzakelijkerwijze afkomstig van een onverdachte bron. Wie zeker wil zijn, voegt bij het vullen van de tank een aangepaste doorsnede ontkiemer toe. Dat is volkomen onschadelijk. Drinkwaterfilters in het boordsysteem zijn een andere mogelijkheid om u te beschermen tegen bacteriën. Actieve koolfilters kunnen probleemloos in de drukleiding aangebracht worden, de prestaties van de waterpomp worden daardoor niet beïnvloed.

4.2 Waterboiler

De warmwatervoorziening aan boord gebeurt overwegend via een warmwaterboiler met een 220 V-verwarmingspatroon en een aansluiting op het interne koelwatercircuit van de motor. De elektrische aansluiting op het 220 V-net vereist absoluut een verliesstroomschakelaar en een zekering van voldoende sterkte, vaak 10 Amp. De verwarmingspatronen hebben een vermogen van tot 1200 Watt, bijgevolg moet de doorsnede van de stroomtoevoerkabel minstens 2,5 mm² bedragen.

De aansluiting op het koelwatercircuit van de motor via een bypass vereist weliswaar geen elektrische installatie, maar de slangen van de motor naar de boiler en terug moeten echter zeer zorgvuldig gelegd worden. Indien de boiler niet vlak bij de motorruimte gemonteerd is, voert de weg van de slangen vaak door schotten, kasten en bilges. Hier ogen geen schuurplaatsen of trillingen ontstaan door andere oorzaken. Het slangmateriaal moet in elk geval hittebestendig zijn; eerste keuze zijn speciaal gewapende koelwaterslangen. Het koelwater van het interne circuit loopt via een warmtewisselaar naar de boiler, die bij gelegenheid voor herstellingen of onderhoud geledigd moet worden. Aan aflaatkraan bij de ingang maakt dat eenvoudig. De hoeveelheid van het door de boiler lopende koelwater laat zich met een reductieventiel achter de bypass instellen.

Waterboilers zijn voorzien van een thermostaat, een extra mengventiel is zinvol als de koelwatertemperatuur hoger is dan 85°C. Naargelang de toevoer van koud en warm water regelt de thermostaat dan de temperatuur.

5. Lenspompen

Een lenspomp aan boord is onmisbaar, twee onafhankelijk van elkaar werkende lenssystemen nog beter, en aanbevelenswaardig. Op de meeste zeegaande jachten is er een handlenspomp in de kuip geïnstalleerd, een tweede elektrische in de bilge. Handlenspompen zijn membraanpompen, de elektrische dompelmpompen zijn centrifugaalpompen. Centrifugaalpompen zijn niet zelfaanzuigend, ze moeten op de pompplaats op het laagste punt van de bilge gemonteerd worden. De elektrische bedrading moet bijzonder zorgvuldig en goed geïsoleerd gelegd zijn, zodat het water in de bilge niet nog bijkomend een fatale kortsluiting veroorzaakt. Een automatische dompelschakelaar met akoestische waarschuwingsfunctie is in elk geval zinvol. Hij zorgt er voor dat de pomp bij contact met het water direct aanloopt en de skipper tijdig wordt gewaarschuwd. Zeer vaak merkt met het water in de bilge pas, als de vloerplanken gaan drijven. Dan wordt het lokaliseren van het lek veel moeilijker. Er kan nauwelijks nog worden gecontroleerd van waar het water komt. Via een 3-wegs schakelaar werkt de pomp automatisch, maar kan ze ook manueel geactiveerd worden.

Fijnmazige aanzuigkorven op de lensslangen zijn een must; ze voorkomen dat vuil en andere deeltjes in de pomp worden gezogen en ze gaan verstoppen. Dat geldt net zo goed voor membraanpompen als voor impellerpompen.

Moderne boten hebben vaak geen centrale, diepe bilge meer, waar het water zich direct verzamelt. Vaak blijft het in verschillende bilgesecties staan, tot het dan langzaam via de lensbuis in de vloerwrangen tot in de hoofdbilge loopt. Indien u met een pomp meerdere secties wilt kunnen lenzen, bijvoorbeeld bijkomend ook de motorbilge, dan kan in het slangsysteem een 2-weg ventiel ingebouwd worden. Daarmee kan de al droge afdeling gesloten worden, zodat de pomp geen lucht trekt. Lenspompen moeten direct en ongecompliceerd toegankelijk zijn, om ze in noodgevallen snel te kunnen reinigen.

Lensslangen moeten olie- en dieselvast zijn, met gladde binnenwanden. Door sterk geribbelde slangen wordt het pompvermogen verminderd, net als door veel en nauwe bochten in de slang. Ze moet zo recht mogelijk en via de kortste weg gelegd worden.

Het pompvermogen hangt af van de opvoerhoogte en afvoerlengte. Hoe dieper de pomp aanzuigt en hoe hoger ze het water tot de boorddoorgang moet opvoeren, hoe krachtiger ze moet zijn. Daarom moet deze parameter voor de aanschaf van een pomp absoluut gemeten worden. De huiddoorvoer moet omwille van de opvoerhoogte zo laag mogelijk boven de waterlijn liggen, en beschikken over een afsluitkraan. Lensopeningen onder de waterlijn moeten een zwanenhals tot boven de waterlijn hebben, zodat er niet via de lensopening water van buiten binnen kan dringen. Aansluitingen en verbindingen onder de waterlijn moeten in elk geval met twee sterke slangklemmen geborgd worden.

naar boven


Copyright © 2014 Compass Watersport BV - Alle rechten voorbehouden.

Laatst bekeken artikelen