Nieuw! Info en tips

Veiligheid Navigatie Elektriciteit Uitrusting
Motor & Trailer Verf & onderhoud Sanitair Oliegoed en functionele kleding

Elektriciteit

1. Accu's
    1.1 Accutypes
    1.2 Het laden van accu's
    1.3 Accu-pulser
    1.4 Laadtoestand van de accu
    1.5 Scheidingsdiodes / Laadrelais
2. 230 V-net
    2.1 Wisselrichter
3. Elektrische installatie
    3.1 IP-beschermingsklassen
    3.2 Kabeldoorsnede
    3.3 Zekeringen
    3.4 Aansluiting van ankerlieren
    3.5 LED-technologie
    3.6 Sokkeltypes overzicht
    3.7 Navigatieverlichting
    3.8 Lichtsterkte
4. Solartechniek
    4.1 Montage van zonnemodules

1. Accu's

Voor de stroomvoorziening aan bood zijn de juiste keuze, de verzorging en het onderhoud van de accu's van beslissend belang. De belastbaarheid en de levensduur van de accu's hangt van hun constructie en de gebruiksomstandigheden. Trillingen, zeegang, de temperatuuromstandigheden en onregelmatige laadcycli vergen accu's, die opgewassen zijn tegen speciale belastingen. Boordaccu's moeten bijvoorbeeld zware verbruikers zoals de startmotor, de ankerlier en de boegschroef kunnen voorzien van grote en kortstondige stromen. Ze moeten in korte tijd grote laadstromen kunnen opnemen, zodat snel weer voldoende energie ter beschikking staat voor het boordnet. De levensduur van accu's hangt in grote mate af van het aantal laad- en ontlaadcycli, waarvoor een accu gebouwd is. Een normale auto-accu is ontworpen voor ca. 50-80 laadcycli; een moderne AGM-accu is voorzien voor 300 - 700 laadcycli. Bij normaal gebruik en onderhoud ligt de levensverwachting op zowat 7 jaar; de accucapaciteit is dan nog steeds ca. 80%. Natuurlijk zijn dit slechts richtwaarden. Intensief gebruik, niet correct laden of diep ontladen kunnen accu's echter vroeger verzwakken. Elke accu, of het nu een normale loodzuur-, een AGM- of een gel-accu is, raakt beschadigd indien hij langere tijd diepontladen is, en niet regelmatig volledig geladen wordt.

1.1 Accutypes

Loodzuuraccu's

Met zwavelzuur gevulde natte cellen accu's worden overwegend gebruikt als startaccu in voertuigen. Ze zijn ontworpen voor het kortstondig afgeven van grote stromen. Voor gebruik aan boord zijn ze maar beperkt bruikbaar omdat ze enkele nadelen hebben:

  • natte cellen-accu's zijn niet lekveilig
  • door de constructie met dunne platen zijn ze maar beperkt bestand tegen schokken
  • de vorming van explosieve gassen bij een te sterke of ongeregelde lading
  • de inbouw is alleen toegestaan in goed geventileerde ruimtes
  • bestand tegen minder cycli, zowat 50-80
  • niet onderhoudsvrij

Loodzuuraccu's worden voor zwaardere belastingen aangeboden in heavy duty-uitvoering, bijvoorbeeld voor vrachtwagens en nutsvoertuigen. Deze accu's zijn beduidend sterker geconstrueerd en duidelijk voor meer cycli bedoeld dan de gebruikelijke auto-accu's.

Gel-accu's

De behuizing van een gel-accu is volledig gesloten, ze zijn onderhoudsvrij. Het zuur is in een gelachtige substantie gebonden. De cyclusduurzaamheid ligt bij 400 - 500 cycli, wat bij normaal gebruik uitzicht geeft op een levensduur van meer dan 7 jaar. Als startaccu moeten gel-accu's een grotere capaciteit hebben, omdat de koudstartstroom kleiner is. Als service-accu's zijn ze omwille van hun lange termijn-belastbaarheid het best geschikt. Voordelen van gel-accu's:

  • absoluut onderhoudsvrij en omkipveilig
  • lekveilig en niet gasvormend
  • inbouw in niet-geventileerde ruimtes mogelijk
  • gel-accu's kunnen in om het even welke positie gemonteerd worden
  • schokvast en ongevoelig voor trillingen
  • geringe zelfontlading

AGM-accu's

Moderne AGM-accu's behoren tot de krachtigste stroombronnen met een grote economie en dito levensduur. De stevige constructie maakt hen geschikt voor de afgifte van zeer grote stromen. De kleine inwendige weerstand laat eveneens snel laden toe met grote stromen, de laadduur is in vergelijking met normale accu's beduidend korter. De cyclusduurzaamheid ligt naargelang uitvoering en de kwaliteit bij 300 - 700 cycli of meer. Omwille van de vele voordelen zijn AGM-accu's ideaal voor gebruik op schepen:

  • absoluut onderhoudsvrij en uitloopveilig
  • in om het even welke positie monteerbaar en bedrijfszeker
  • absoluut geen gevaar voor gasontwikkeling
  • snel laden met grote stromen
  • extreem schok- en trilbestendige constructie
  • lange levensduur
  • minimale zelfontlading
  • extreem belastbaar met hoge piekstromen

1.2 Het laden van accu's

De juiste lading van een accu heeft grote invloed op de levensduur en de betrouwbare prestaties. Het laadapparaat moet afgestemd zijn op het accutype, spanningsschommelingen in het walstroomnet moeten opgevangen worden. De bij laadapparaten gebruikelijke transformatortechniek regelt in dit geval de laadstroom naar de accu's niet betrouwbaar. Onderspanningen in het 220 V-net kunnen optreden in overvolle havens of door lange leidingkabels, maar gevaarlijker zijn overspanningen, die niet door het laadapparaat gecompenseerd worden. Bij een laadspanning van meer dan 14,4 resp. 14,8V kan de accu ernstig beschadigd raken.

Moderne laadapparaten met IUoUo-laadtechniek sturen en regelen de laadfasen elektronisch en maken zo een 100 % laden van de accu's mogelijk. De spanningssturing is gegarandeerd. Omdat de verschillende soorten accu's ook een verschillend laadgedrag vertonen, kunnen veel laadapparaten worden omgeschakeld naargelang het soort te laden accu. De einde laden-spanning en de egalisatielading kunnen eveneens ingesteld worden, of worden automatisch geregeld.

Tijdens de lading ontwikkelen accu's warmte, die gecontroleerd moet worden. Overmatig laden kan met speciaal bij zuuraccu's leiden tot gevaarlijke gasontwikkeling. Een in het laadapparaat geïntegreerde temperatuurbewaking van de accu beschermt deze tegen overladen.

Vermogen van het laadapparaat

Het vermogen van het laadapparaat moet afgestemd zijn op de totaal te laden accucapaciteit. Bij laadapparaten met een te klein vermogen duurt het laden te lang of raken de accu's niet vol. Gel- en AGM-accu's verdragen snellere en grotere laadstromen dan normale loodaccu's; de laadstroom kan tot 30% van de accucapaciteit bedragen. Bij zuuraccu's kan de laadstroom tussen 15 en 20 % van de capaciteit bedragen. Een laadapparaat met ca. 60 A is dus geschikt voor een AGM- of gel-accubank van ca. 200 A. Bij de bedrading tussen laadapparaat en accu moet de juiste kabeldoorsnede worden gekozen, zeker bij langere leidingen. Te kleine doorsneden leiden tot grotere verliezen en een gevaarlijk opwarmen van de kabel.

1.3 Accu-Pulser

De gebruikelijke loodzuur-accu's verliezen door sulfatering in de loop van de tijd aan capaciteit. Sulfaat ontwikkelt zich hoofdzakelijk tijdens de rustfase, als de accu geladen noch ontladen wordt. Daarom is het voor accu's een voordeel als ze voortdurend in bedrijf zijn. Startaccu's in een auto zijn na ca. 4 jaar in het stadium, dat met een defect gerekend moet worden.

Desulfatering door een accu-pulser

Door speciale elektronische impulsen kan de sulfatering terug afgebouwd worden en de accu geregenereerd. De levensduur van de accu kan met het 3- tot 5-voudige verlengd worden, de capaciteit neemt terug toe tot 100%. Accu-pulsers zijn geschikt voor alle loodzuur-accu's, bij gel-accu's duurt het desulfateren alleszins langer. De regeneratiewerking en -duur hangt af van de capaciteit (Ah) van de accu. Hoe groter de capaciteit, hoe langer het proces duurt.

Eenvoudige montage

De accu-pulser wordt direct tussen de beide accupolen aangesloten, en met plakband of kabels beveiligd. Een automatische onderspanningsbescherming schakelt de pulser uit van zodra de nominale spanning van de accu onderschreden wordt.

1.4 Laadtoestand van de accu

Alleen exacte spanningsmeters informeren over de actuele spanningstoestand van de accu. Oudere analoge voltmeters hebben vaak een foutmarge, waardoor de werkelijke spanning niet correct wordt aangegeven. Digitale spanningsmeters en hoogwaardige wijzerinstrumenten zijn hier beter voor geschikt. Voor de accubewaking is slechts het meetgebied tussen 10 V- 17V van belang. Voor de spanningsmeting mag de accu niet belast noch geladen worden, maar moet hij zich in de rusttoestand bevinden. Voor de laadtoestand van gezonde accu's gelden de volgende richtwaarden:

  • 12,7V komt overeen met ca. 100% lading
  • 12,5V komt overeen met ca. 75% lading
  • 12,2V komt overeen met ca. 50% lading
  • 12,0V komt overeen met ca. 20% lading

Indien de lading snel en meetbaar daalt bij belasting, dan wijst dit op een beschadigde accu. Accu's met een zekere leeftijd kunnen weliswaar gedurende langere tijd een spanning van méér dan 12 V aanhouden, maar hebben onvoldoende capaciteit voor verbruikers met een groter stroomverbruik. Wie dus duidelijkheid wil over de toestand en de betrouwbaarheid van de accu, moet een test onder belasting doorvoeren: de accu eerst volledig laden, daarna de verbruiker met een groot stroomverbruik inschakelen. Indien de spanning meteen daalt, mogelijk zelfs tot 12V of minder, moet het vervangen van de accu overwogen worden. Voor het meten van de laad- en ontlaadstroom dienen Ampèremeters als wijzer- of digitaal instrument. Digitale multimeters moeten voor alle stroom- en spanningsmetingen in elk geval aan boord zijn.

1.5 Scheidingsdiodes / Laadrelais

In de regel hebben schepen gescheiden accusystemen voor de motor en de verbruikers. Voor grote verbruikers zoals de startmotor of de boegschroef zijne er afzonderlijke accu's met een grote capaciteit ingebouwd, die niet door andere verbruikers ontladen mogen worden. Omwille van veiligheidsredenen is voor de beroepsscheepvaart bijvoorbeeld een gescheiden accuvoeding voor de marifoon voorgeschreven. Ook de startaccu mag op een pleziervaartuig omwille van de veiligheid niet worden gebruikt voor het voeden van het boordnet. De elektrische installatie moet zo aangelegd zijn, dat de afzonderlijke accusystemen niet met elkaar verbonden zijn, niet aan de ontlaad- maar ook niet aan de laadzijde. Scheidingsdiodes, laadstroomverdelers en laadrelais worden ingebouwd om de accusystemen te scheiden.

De keuze van scheidingsdiodes en stroomverdelers hangt af van de maximale laadstroom. Ze moeten in elk geval voldoende gedimensioneerd zijn en mogen in geen geval een lagere Ampèrage hebben dan de laadapparaten en de alternator. Voor een generator van 90A bijvoorbeeld is een scheidingsdiode van 120A voldoende.

Voor het scheiden van accu-blokken met verschillende verbruikers zijn er meerdere mogelijkheden:

Scheidingsdiodes

Scheidingsdiodes laten de stroom slechts in één richting door. De accu's worden voor één lader of door de alternator gelijktijdig geladen, zonder dat de accu's gekoppeld moeten worden. De laadstroom wordt geïsoleerd, het wederzijds ontladen van de accu's is uitgesloten. De stroomafname gebeurt slechts van die accu, die voorzien is voor de betreffende verbruiker. Nadeel van scheidingsdiodes: ze veroorzaken een spanningsverlies van tot ca. 1 Volt. Dit kan betekenen, dat de accu's niet volledig geladen worden. Ook bij hoogwaardige scheidingsdiodes moet rekening worden gehouden met spanningsverlies.

Scheidingsdiodes met compensatiediode

Bij scheidingsdiodes met een geïntegreerde spanningscompensatie is het spanningsverlies minimaal. Er is een extra leiding nodig van D+ van de alternator naar de diodeverdeler.

Elektronische laadstroomverdelers

Het spanningsverlies bij elektronische laadstroomverdelers is nauwelijks meetbaar. Ze bieden naargelang de uitvoering ook bijkomende instellingen voor voorrangsladingen en spanningsbescherming.

Automatische laadrelais

Spanningsafhankelijke relais schakelen naargelang de spanning van de accu's het laden in of uit. Ze zijn speciaal ontworpen voor het laden van accu's, vertonen geen spanningsval, en bieden extra functies zoals bescherming tegen onder- of overspanningen.

2. 230 V-net

2.1 Wisselrichter

Wisselrichters zetten de 12V-gelijkspanning van het boordnet om in een wisselspanning van 230V. Op die manier kunnen veel apparaten van thuis ook aan boord gebruikt worden. Dit zijn onder andere elektrische gereedschappen, keukentoestellen zoals de magnetron of een koffiezet, en notebooks of laptops. Het uitgangsvermogen in Watt van mobiele wisselrichters moet overeen komen met het stroomverbruik van de aangesloten verbruiker. Met een wisselrichter van 150W kunt u geen stofzuiger van 1.000W van energie voorzien. Wisselrichters met een groot uitgangsvermogen laten zich ook niet meer op een 12V-stopcontact of de sigarettenaansteker aansluiten, omdat noch de bedrading noch de stekker voor dergelijke grote stromen geschikt zijn. Wisselrichters met een groot vermogen moeten worden aangesloten met overeenkomstig grote kabeldiameters. In de regel volstaan echter wisselrichters met een vermogen van 150 - 300W om laadapparaten, notebooks en andere apparaten met een klein stroomverbruik aan te sluiten.

Duidelijk goedkopere trapezium-wisselrichters zijn geschikt voor apparaten zonder gevoelige micro-elektronica. Voor gevoelige verbruikers zoals plasma-monitors of DVD-players zijn er niet geschikt, omdat de elektronica kan beschadigd raken. Op sinus-wisselrichters kunnen haast alle apparaten aangesloten worden, omdat ze met een zuivere sinuscurve werken. Storingen in het boordnet kunnen vermeden worden indien de 12V-voedingskabels naar de wisselrichter in elkaar getwist worden.

Wisselrichters moeten met de volgenden features uitgerust zijn:

  • elektronische beveiliging tegen overbelasting en kortsluiting
  • automatische uitschakeling bij over- en onderspanningen
  • automatische beveiliging tegen ompolen
  • stopcontact met randaarde
  • USB-interface

Indien een wisselrichter vast in het 230V-boordnet wordt geïnstalleerd, dan moet er een automatisch omschakelstation ingebouwd worden. Indien een extra 230V-bron zoals de walstroom of een generator aangesloten wordt, dan moet de wisselrichter van het boordnet gescheiden worden. Het uitschakelen van de wisselrichter gebeurt automatisch via het omschakelstation. Als de walstroom uitvalt, dan wordt automatisch terug overgeschakeld naar wisselrichterbedrijf.

3. Elektrische installatie

3.1 IP-beschermingsklassen

IP-beschermingsklassen leggen vast, in welke mate elektrische onderdelen en installaties geschikt zijn om te worden blootgesteld aan milieu-invloeden, zonder beschadigd te raken of een veiligheidsrisico te betekenen. Het installeren van een stroomnet en de installatie van apparaten moet op schepen omwille van de specifieke omstandigheden gebeuren met bijzonder zorg.

De IP-beschermingsklassen

IP Eerste cijfer, aanraakbeveiliging
0 Geen aanraakbeveiliging, geen bescherming tegen vreemde voorwerpen
1 Bescherming tegen vreemde voorwerpen met een diameter > 50 mm
2 Bescherming tegen vreemde voorwerpen met een diameter > 12 mm
3 Bescherming tegen vreemde voorwerpen met een diameter > 2,5 mm
4 Bescherming tegen vreemde voorwerpen met een diameter > 1,0 mm
5 Volledige aanraakbeveiliging, bescherming tegen stofafzetting binnenin
6 Volledige aanraakbeveiliging, bescherming tegen binnendringen van stof

 

IP Tweede cijfer, bescherming tegen vocht
0 Geen bescherming
1 Beschermd tegen verticaal vallende waterdruppels
2 Beschermd tegen schuin invallende waterdruppels (15° ten opzichte van de verticale)
3 Beschermd tegen spatwater (tot 60° ten opzichte van verticale)
4 Beschermd tegen spatwater
5 Beschermd tegen sproeiwater (uit alle richtingen)
6 Beschermd tegen binnendringend water bij tijdelijk bespuiten
7 Beschermd tegen binnendringend water bij onderdompelen
8 Beschermd tegen binnendringend water bij onderdompelen gedurende een onbepaalde tijd
9 Beschermd tegen binnendringend water uit om het even welk richting, ook bij sterk verhoogde druk tegen de behuizing (hogedruk-/stoomsproeier, 80 - 100 bar)

3.2 Kabeldoorsnede

Spanningsverliezen in het 12V-boordnet en een gevaarlijk opwarmen van stroomkabels is vaak het gevolg van een amateuristische installatie met te kleine kabeldiameters. Hoe langer de kabels zijn en hoe groter de stroom naar een verbruiker is, hoe zorgvuldiger de kabeldiameters berekend moeten worden. De spanningsval kan net bij belangrijke instrumenten zoals VHF-apparatuur en navigatietoestellen of bij de navigatieverlichting fatale gevolgen hebben. Bij een 12V-boordnet mag bij de navigatieverlichting het spanningsverlies niet groter zijn dan 5%, wat slechts 0,60V is. Voor andere verbruikers geldt een maximaal verlies van 7%. Veel apparaten schakelen bij te weinig spanning automatisch uit, wat ook een gevolg kan zijn van verkeerd gedimensioneerde kabeldiameters. Ook door corrosie binnen de kabelmantel kunnen er spanningsverliezen optreden. Koperomvlechten, waaraan groene oxidatiesporen merkbaar zijn, moeten vervangen worden, omdat dit soort corrosie ongemerkt doorgaat binnen de ommanteling.

De vereiste kabeldoorsnede kan berekend worden uit de kabellengte, de door de verbruiker opgenomen stroom, en de toegelaten spanningsval.

De volgende formule geldt:
Leidingdoorsnede (mm²)   =   2 x kabellengte (m) x opgenomen stroom (A) / 56 x toegelaten spanningsverlies (V)

De kabellengte telt dubbel, Omdat de stroom steeds over de twee aders heen en terug stroomt, de constante 56 is de geleidingswaarde voor koper.

3.3 Zekeringen

Kortsluitingen en onvoldoende zekeren van elektrische leidingen en apparaten aan boord betekenen een zeer groot brandgevaar. Kortsluitingen kunnen ontstaan door schavielen van kabels, vaak veroorzaakt door de trillingen van het schip, als kabelbevestigingen los raken. Ook slecht aangesloten stekkers en losse contacten in kabelverbindingen kunnen kortsluitingen veroorzaken. Zelfs kabels waardoor maar weinig stroom loopt kunnen dan snel opwarmen en snel verhitten, met brandgevaar tot gevolg.

Alleen correct gebruikte en op de stroomsterkte afgestemde zekeringen onderbreken de stroom meteen. Ter controle moeten zekeringen gemakkelijk en snel toegankelijk zijn. Vaak worden er extra apparaten aan boord aangesloten, die met zogenaamde 'vliegende' zekeringen eenvoudig op het boordnet worden aangesloten.

Bij een nieuwe installatie worden in de regel zekeringautomaten gebruikt. Alleen bij verbruikers met zeer grote stromen zoals de ankerlier, de boegschroef en de motor worden smeltzekeringen gebruikt, waarvoor steeds reserve-exemplaren aan boord moeten zijn. In de handleiding van de betrokken apparaten vindt u informatie over de nodige Ampèrage van de zekeringen.

Per verbruikersgroep gescheiden stroomkringen bieden ook bescherming tegen grotere schade bij kortsluitingen. Hoe meer een boordnet onderverdeeld en afzonderlijk gezekerd is, hoe gemakkelijker het ook is om een storing te lokaliseren. Bij de installatie moet worden gelet op een zorgvuldige bevestiging van de kabels, speciaal als die langs een licht brandbare bekleding lopen.

3.4 Aansluiten van ankerlieren

Ankerlieren verbruiken zeer veel stroom. Een 1200W sterke ankerlier bijvoorbeeld neemt kortstondig 100A op uit de accu. De kabeldoorsnede, de zekeringen en de overbelastingsbeveiliging moeten op die stroom voorzien zijn. Vaak voeren lange kabels van de accu's midscheeps naar de ankerlier vooraan. Daarbij moeten spanningsverliezen en warmte-ontwikkeling omwille van een te kleine kabeldoorsnede worden vermeden.

Een krachtig relais stuurt de up and down-functie van de lier; maar dit relais wordt op zijn beurt gestuurd door een voetschakelaar of een afstandsbediening. Van de relaisbox naar de schakelaar kunnen kleine kabeldoorsnedes volstaan, de zekering zit in de kabel tussen de pluspool van de accu en het relais. Moderne ankerlieren kunnen ook worden voorzien van een draadloze afstandsbediening, waarmee een lange bedrading naar de stuurstand overbodig wordt. Met name bij een kleine crew is het bedienen van de ankerlier vanuit de kuip zeer comfortabel. De stuurman kan beslissen wanneer het anker precies valt, en ketting steken naargelang zijn metingen. Een andere goede investering is een bedieningsapparaat met kettinglengtemeting. Hiermee kan exact de uitgelopen kettinglengte gecontroleerd en aan de waterdiepte aangepast worden. De afstandsbediening is vaak in de ankerbak gemonteerd, stekkers en kabels moeten bijgevolg regelmatig op vocht en goed contact gecontroleerd worden.

3.5 LED-technologie

Voor gebruik aan boord van schepen is de LED-technologie intussen alternatiefloos geworden. Voor wat betreft stroomverbruik, levensduur en lichtvermogen, is LED-verlichting duidelijk superieur ten opzichte van alle gebruikelijke lampen zoals halogeen- en gloeilampen. De grote voordelen wegen ruimschoots op tegen het nadeel van de hogere aanschaffingskosten. Op termijn is LED-techniek het goedkoopste verlichtingssysteem.

  • minimaal verbruik van 1 tot 3 Watt
  • levensduur van 50.000 uren met LED-stabilisator
  • volledig ongevoelig voor frequent in- en uitschakelen
  • bestand tegen trillingen
  • geen schadelijke UV- en infraroodstraling
  • geen belasting van het milieu door kwikzilver

Inmiddels levert hoogwaardige LED-verlichting aangenaam witte lichttinten, die niet meer zo ongezellig zijn als de blauwachtige licht van de eerste generatie. Speciale warmwitte lichtkleuren van LED's leveren wel licht in aan helderheid.

Alleen al omwille van het aspect stroomverbruik aan boord loont overschakelen naar LED-verlichting. Haast alle halogeenstralers kunnen in de plaats van met een halogeenlamp met LED-inzetten uitgerust worden. Zelfs voor de gebruikelijke 5- of 10W standaard-lampen zijn LED-vervangers beschikbaar. LED-lampinzetten zijn beschikbaar met alle gangbare sokkeltypes.

Sinds 2006 is ook voor navigatieverlichting de nieuwe LED-technologie toegelaten.

3.6 Sokkeltypes - overzicht

Lampen voor navigatieverlichting:

BAY 15d Bay 15s Sofitte SV8,5
BAY 15d Bay 15s Sofitte SV8,5

Bron: Hellamarine (www.hellamarine.com)

3.7 Navigatieverlichting

De verlichting van motor- en zeilschepen is wettelijk geregeld. Volgens IMO COLREG 72 zijn navigatielichten

  • Licht rondom / Rondom zichtbaar licht Schijnt over een volledige cirkel van 360°
  • Toplicht Schijnt over een sector 225°, naar iedere kant, van recht vooruit tot 22,5° achterlijker dan dwars
  • Boordlichten Bakboord rood, stuurboord groen. Beide schijnen over een sector van 112,5° van recht vooruit tot 22,5° achterlijker dan dwars.
  • Heklicht Schijnt over een horizontale sector achteruit over een hoek van 135°.

Op vaartuigen mogen in principe alleen navigatielichten gevoerd worden, waarvan de bouw en de plaatsing voldoen aan de Bepalingen van het Zeeaanvaringsreglement ZAR. Ze moeten toegelaten zijn en een typegoedkeuring hebben van het BSH. Het CE-merk vervangt deze toelating niet. De dracht van navigatielichten en het voeren ervan wordt onder andere geregeld in de diverse scheepvaartreglementen en -bepalingen. Sinds 2006 is ook navigatieverlichting met LED-lampen toegelaten.

Rondomschijnend wit
All round white navigation lamp
Feux 360° blancs
Boordlichten
Port and starbord navigation lamp
Feux bâbords et tribords
Heklicht
Stern navigation lamp
Feux de poupe
Toplicht
Masthead navigation light
Feux de hune
Driekleurenlicht
Tricolour light
Feux tricolores

Quelle: Hella Marine

 

3.8 Lichtsterkte

De verschillende lichtmiddelen kunnen bij eenzelfde vermogen uiteenlopende lichtsterktes vertonen. Bij de beoordeling van het stroomverbruik is het opgenomen vermogen, aangegeven in Watt, belangrijk. De afgegeven hoeveelheid licht wordt aangegeven in de eenheid Lumen. Om dus lichtmiddelen te kunnen vergelijken, moeten beide maateenheden in hun onderling verband worden gezien. Halogeenlampen leveren daarbij eenzelfde hoeveelheid licht bij een kleiner aantal Watt.

Vergelijking Lumen/Watt

Lumen Watt
  Halogen Gloeilamp
60 5  
100 10 15
200    
300 20  
400   40
500    
700   60
800 50  
900   75
1000 60  
1200    
1300    
1400 75 100

 

4. Solartechniek

De prestaties van zonnetechniek maakte grote sprongen voorwaarts. Ook al is het slechts met grote moeite mogelijk volledig in de energiehuishouding van een groter schip te voorzien met zonne-energie, zijn zonnemodules prima geschikt voor het voeden van kleinere verbruikers en om de accu's voortdurend voldoende geladen te houden. De gebruikelijke loodzuur-accu's verliezen door zelfontlading aan capaciteit, indien ze gedurende langere tijd niet geladen worden. Bijvoorbeeld indien de boot een langere tijd niet gebruikt wordt, en een walstroomaansluiting of andere laadmogelijkheden ontbreken. Met kleinere solarmodules kan dit verlies eenvoudig gecompenseerd worden, en bij een volgende trip zijn de accu's weer volledig geladen.

Voor gebruik op boten en jachten zijn er speciaal geconstrueerde solarmodules leverbaar, die zowel mobiel als vast geïnstalleerd kunnen worden. De volgende criteria zijn belangrijk voor gebruik aan boord:

  • onbreekbaar door roestvrij stalen drager
  • buigbaar voor de montage op gebogen vlakken
  • zeewaterbestendige laminering van de cellen
  • eenvoudige montagemogelijkheden door lijmen of schroeven
  • silpvast door gestructureerd oppervlak
  • randen beschermd
  • waterdichte bedrading en aansluitingen

Het gebruik van zonnemodules maakt een laadregelaar met sperdiode noodzakelijk, om de aangesloten verbruikers te beschermen bij duisternis. Het laadgedrag en de werking worden via LED's op displays getoond.

4.1 Montage van zonnemodules

Bij het positioneren en de montage van zonnemodules moet rekening worden gehouden met een belangrijk criterium. Elke schaduw op de module, ook tijdelijk of gedeeltelijk, vermindert de prestaties ernstig. Daarom moet vooraf precies worden overlegd, in welke positie en richting een module kan worden aangebracht. Op een boot zijn de montagemogelijkheden beperkt. In principe zijn twee of drie montagemogelijkheden denkbaar:

Mobiele installatie

Kleinere, licht transporteerbare modules tot ca. 12 Watt worden daar geplaatst, waar de instraling van de zon het grootst is. Ze kunnen worden opgehangen, neergezet, of los op het dek gelegd. Ze laten zich steeds optimaal op de zon richten, zonder dat schaduwen het vermogen beïnvloeden. De aansluiting gebeurt via een stekker en kabel. Steeds moet echter op de accuverbinding worden gelet, want zonder accu-aansluiting raken solarmodules beschadigd, als ze aan de zon worden blootgesteld. Voor kleinere boten is de mobiele installatie een uitstekende oplossing, waarmee u flexibel blijft.

Vaste installatie

Bij zoverre delen van het dek zonder permanente schaduw vrij zijn, kunnen modules ook vast verlijmd of geschroefd worden. De bedrading van module, laadregelaar en accu wordt vast geïnstalleerd. Sterk gebogen dekoppervlakken of sterk schommelende of trillende delen zijn ongeschikt, de buigstraal van een module is beperkt. ook al kunnen modules worden belopen, monteert u ze beter niet daar, waar ze hinderen bij werkzaamheden aan dek zoals het zetten van het zeil. Modules zijn gevaarlijk om te struikelen.

Installatie op een antennebeugel

Een antennebeugel staat meestal ter beschikking op motorjachten en grotere zeiljachten. Voor solarmodules is dit de perfecte plaats, omdat ze zonder schaduw optimaal uitgericht kunnen worden. Ze storen niet aan dek en kunnen niet beschadigd raken.

naar boven


Copyright © 2014 Compass Watersport BV - Alle rechten voorbehouden.